De Alto de l’Angliru in Asturië (Noord-Spanje) staat bekend als één van de zwaarste beklimmingen in het wielrennen, vooral in de Vuelta a España. Dat komt door een combinatie van factoren:
-
De klim is in totaal ongeveer 12,5 km lang met een gemiddeld stijgingspercentage van 10%.
-
Maar vooral de laatste 6 km zijn berucht: daar zitten meerdere stukken van 18–23% stijging. Het meest gevreesd is de Cueña les Cabres (23,5%).
2. Onregelmatig verloop
-
Anders dan een gelijkmatige klim (zoals Alpe d’Huez), wisselen op de Angliru relatief “makkelijkere” stukken van 6–8% af met extreem steile muren.
-
Dat maakt het moeilijk om een ritme te vinden en zorgt dat renners telkens opnieuw moeten versnellen en kracht bijzetten.
3. Psychologische factor
-
Renners weten dat de zwaarste kilometers pas laat komen. De aanloop kost al veel energie, maar je moet eigenlijk reserves bewaren voor het slot, waar het bijna “muurklimmen” wordt.
4. Weersomstandigheden
-
De Angliru ligt vaak in de wolken: regen, mist en glad asfalt zijn eerder regel dan uitzondering. Op zulke stijgingspercentages maakt een beetje gladheid enorm verschil.
5. Materiaal en cadans
-
Renners moeten vaak rijden met een heel licht verzet (bijvoorbeeld 34×32 of 34×34). Toch komt de cadans vaak gevaarlijk laag te liggen (<60 rpm), wat voor zware verzuring in de benen zorgt.
Kort gezegd: het is niet alleen de lengte en het gemiddelde stijgingspercentage, maar vooral de explosieve, extreem steile stukken aan het einde die de Angliru zo legendarisch zwaar maken.
Bekijk deze klim ook op Climbfinder.






